De kunst van het complimenteren
Een compliment is zelden puur neutraal
Het zit bijna altijd ergens op een schaal tussen verbinding en positionering.
Aan de ene kant heb je het compliment als erkenning. Dan zeg
je eigenlijk: ik zie iets bij jou wat mij raakt of aanspreekt. Dat is
horizontaal. Het vertrekt vanuit gelijkwaardigheid. Bijvoorbeeld:
– “Ik merk dat jouw manier van luisteren mij rust geeft.”
– “Ik vind het mooi hoe je dat hebt verwoord.”
Hier blijft de ander vrij. Jij legt geen norm op, je deelt een ervaring.
Aan de andere kant kan een compliment ongemerkt verticaal
worden. Dan sluipt er iets van beoordeling of rangorde in: ik beoordeel jou
positief volgens mijn maatstaf. Bijvoorbeeld:
– “Goed zo, dat heb je netjes gedaan.”
– “Wat knap dat jij dat begrijpt.”
Dat klinkt vriendelijk, maar het impliceert: ik sta in de positie om te bepalen
wat ‘goed’ of ‘knap’ is. Het verschil met erkenning is subtiel maar voelbaar.
Er is ook een tussenvorm, die vaak voorkomt: het sociaal smeermiddel.
– “Leuke jas!”
– “Goed bezig!”
Die zijn meestal licht en niet zwaar beladen, maar ook niet helemaal neutraal. Ze houden het contact soepel, zonder veel diepte.
Interessant wordt het bij verborgen superioriteit, soms
zelfs goedbedoeld:
– “Wat dapper dat je dit als vrouw doet.”
– “Je spreekt verrassend goed Nederlands.”
Hier zit een impliciete norm achter die de ander eigenlijk lager positioneert,
ook al is de intentie positief.
Dat verklaart ook waarom een goedbedoeld compliment soms ongemakkelijk landt. Niet omdat de intentie niet deugt, maar omdat de ontvanger er iets mee moet. Iemand die zegt "wat moedig van jou dat je dit hebt doorgezet" bedoelt het goed, maar plaatst de ander meteen in de positie van iemand die beoordeeld is op zijn moed. Ontkennen voelt onbeleefd, bevestigen voelt ijdel en zwijgen laat een leegte. Een oordeel, ook een positief oordeel, vraagt stilzwijgend om een reactie: ontkennen, bevestigen, relativeren, of in elk geval iets. Er ontstaat een kleine, onzichtbare schuld. De ander wordt even uit zijn eigen centrum geplaatst en moet zichzelf terugvinden ten opzichte van jouw maatstaf.
Erkenning doet dat niet. Die legt niets op. Ze vraagt alleen: mag ik je dit zeggen?
Als je het langs mijn manier van kijken legt (zeggen gevoel,
verstand en intuïtie hetzelfde?), dan kun je het verschil vaak direct
voelen:
– Voelt het open en evenwaardig? Dan is het erkenning.
– Voelt het als een kleine beoordeling of etikettering? Dan zit er hiërarchie
in.
Misschien is de kern dit: een compliment wordt ‘zuiverder’
naarmate het meer een ik-boodschap is en minder een oordeel over de ander.
“Ik vind dit mooi” is iets anders dan “dit is mooi”.
En helemaal neutraal? Dat is lastig. Zodra je iets uitspreekt over een ander, geef je er betekenis aan. De vraag is dan niet zozeer of het neutraal is, maar of het de ander ruimte laat of ongemerkt inkadert.
