Het recht op middelmatigheid
Het verhaal over talenten dat in het Evangelie van Mattheüs wordt verteld, is eeuwenlang gebruikt als morele spiegel. Een heer vertrouwt zijn dienaren een aantal talenten toe, een oude munteenheid die symbool werd voor gaven en mogelijkheden. De dienaren die hun talenten investeren en vermenigvuldigen worden geprezen, maar degene die zijn talent in de grond begraaft, wordt hard veroordeeld. Sindsdien kleeft er aan het woord “talent” een normatieve lading: je mag het niet ongebruikt laten, je bent verplicht het te ontwikkelen en vrucht te laten dragen.Die gedachte heeft diepe sporen nagelaten. Staten en samenlevingen hebben er beleid op gebouwd. In communistische landen werden jonge kinderen gescreend op muzikale, sportieve of wetenschappelijke aanleg, om vervolgens in een strak regime van training te worden klaargestoomd voor collectieve glorie. Ook dichter bij huis herkennen we de dynamiek: ouders die het talent van hun kind niet alleen zien als gave, maar als project dat moet worden uitgebouwd, soms als verlengstuk van eigen ambities. In beide gevallen klinkt de echo van de Bijbelse gelijkenis: talent mag niet in de aarde verdwijnen, maar moet renderen.
De morele plicht tot talent
Talent is het vermogen van een mens om zijn of haar mogelijkheden tot ontplooiing te brengen in relatie tot anderen en de wereld.In de moderne samenleving is talent bijna synoniem geworden met presteren. Het lijkt alsof iedereen verplicht is ergens in uit te blinken. Sociale media versterken dit idee: het verdienmodel van Instagram, TikTok en YouTube draait op de zeldzame succesverhalen van influencers die miljoenen volgers trekken. Daarachter staat een massa gebruikers die vooral geconfronteerd worden met hun eigen middelmatigheid. Ze zien hoe anderen schitteren en vragen zich af: waarom ik niet? En precies op dat gevoel bloeit een nieuwe industrie. Er bestaan talloze cursussen die beloven je te leren hoe je “viraal gaat”, hoe je “je unieke merk bouwt”, hoe je “succesvol influencer wordt”. Excelleren wordt voorgesteld als plicht en twijfel als gat in de markt.
De fixatie op talent zien we ook in bedrijven, waar “talent development programs” suggereren dat iedereen zijn unieke potentieel moet laten zien om door te groeien. In werkelijkheid wordt zo vaak een cultuur van prestatiedruk gecreëerd: wie middelmatig blijft, lijkt stil te staan en verdwijnt uit beeld. Talent is niet langer een mogelijkheid, maar een toetssteen.
De wrijving tussen middelmaat en markt
Achter deze druk schuilt een verdienmodel dat twijfel omzet in consumptie. Managementboeken en zelfhulpbladen spreken in dezelfde toon: “ontdek je verborgen talent in zeven stappen”, “word de beste versie van jezelf”, “leer excelleren in leiderschap”. Wie middelmatig is, krijgt de boodschap dat hij tekortschiet, tenzij hij het boek koopt, de training volgt of het traject ingaat.Ook in het onderwijs is de trend zichtbaar. Kinderen worden steeds jonger geselecteerd voor plusklassen, sportprogramma’s of muziekopleidingen. Ouders voelen de verantwoordelijkheid om elk mogelijk talent van hun kind tijdig te signaleren en maximaal te ontwikkelen. Een kind dat gewoon goed meedoet, lijkt niet langer genoeg. Het gevolg is prestatiedruk en stress, die steeds vaker zichtbaar worden bij jongeren. Middelmaat, dat ooit de neutrale norm was, is in de beleving van velen een vorm van mislukking geworden.
De confrontatie met middelmaat
Die spanning wordt scherp zichtbaar in de brief van een vijftigjarige man die zich bij filosoof Joep Dohmen beklaagde over zijn leven. Hij had nooit echt uitgeblonken, altijd iets nagelaten, nooit zijn volle potentieel gerealiseerd. Hij noemde zichzelf middelmatig en ervoer dat als een mislukking. Dohmen reageerde hierop in zijn boek Brief aan een middelmatige man.Volgens hem is het probleem niet dat we middelmatig zijn, maar dat we middelmaat als falen zijn gaan zien. In de posttraditionele samenleving zijn de vaste kaders – religie, tradities, gemeenschappen – weggevallen. Daardoor moeten we zelf betekenis vinden. Wanneer we die zoektocht verwarren met een plicht tot excelleren, ontstaat een gevoel van leegte en tekortschieten. De markt leeft van die leegte, maar filosofisch gezien is er geen enkele reden om middelmaat als gemiste kans te beschouwen.
Sociale zelfontplooiing
Dohmen stelt daar een alternatief tegenover: sociale zelfontplooiing. Zelfontplooiing is niet per se narcistisch of carrièregericht, zoals in de neoliberale retoriek vaak lijkt, maar kan juist gaan om betrokkenheid, zorg en reflectie. Het vraagt drie dingen:- zelfkennis: weten wie je bent en wat je waardevol vindt;
- oefening: kleine, dagelijkse stappen zetten om gewoonten te ontwikkelen die bij dat inzicht passen;
- morele oriëntatie: niet alleen naar jezelf kijken, maar ook naar anderen en naar de samenleving.
Zo wordt zelfontplooiing een publieke moraal. Niet de uitzonderlijke prestaties staan centraal, maar de houding waarmee je jezelf vormt én tegelijk bijdraagt aan je omgeving. Vrijheid is hier geen afwezigheid van grenzen, maar vrijheid in gebondenheid: verantwoordelijkheid nemen in verbinding met anderen. Dohmen wijst erop dat levenskunst vraagt om het denken in termen van ‘zelf’ dat altijd intersubjectief en relationeel is. Hij ziet levenskunst als een correctie op zowel extreme bescheidenheid als overdreven ambitie en pleit ervoor dat we vorm aan ons leven geven mét oog voor de ander, niet als een solo, maar als een ensemble.
Middelmaat als levenshouding
Vanuit dat perspectief krijgt middelmatigheid een nieuwe betekenis. Niet als gebrek, maar als levenshouding. Iemand die veelzijdig is, die zich in veel dingen kan redden zonder ergens te excelleren, is veerkrachtig. Geduld, empathie of bescheidenheid zijn geen opvallende talenten, maar vormen van karakter die een samenleving minstens zo hard nodig heeft.De cadans van ons leven wordt vaak bepaald door een ritme van verwachting en teleurstelling: je moet meer, je doet te weinig, er is altijd een volgende stap. Het erkennen van middelmaat kan dit ritme doorbreken. Het kan rust brengen, een andere maat zetten: niet de crescendo van prestatie, maar de cadans van genoeg. Je hoeft niet voortdurend boven het maaiveld uit te steken om waardevol te zijn.
Een nieuwe morele horizon
In een neoliberaal klimaat waarin alles wordt gemeten in groei, succes en rendement, lijkt middelmaat een zwakte. Maar vanuit Dohmens levenskunst is het juist een kracht: het vermogen om bewust te kiezen, om niet mee te hollen in de logica van meer en beter. Het recht op middelmatigheid is in feite het recht om mens te zijn zonder prestatiedwang.Daarmee wordt duidelijk dat talent geen morele verplichting is. Het is een uitnodiging, geen gebod. Je mag een gave ontwikkelen, maar je mag ook besluiten dat een bescheiden vorm van zelfontplooiing beter bij je past. Wat telt, is niet het applaus van de buitenwereld, maar de kwaliteit van leven die ontstaat uit zelfkennis, oefening en morele betrokkenheid.
De vrijheid van middelmatigheid
In een tijd waarin talent wordt opgeblazen tot morele verplichting en commercieel product, is het misschien wel het meest radicale gebaar om talent niet eindeloos te cultiveren, maar om bewust middelmatig te durven zijn. Middelmatigheid niet als luiheid, maar als keuze om mens te blijven te midden van prestatiedwang. Dat betekent niet dat talent onbelangrijk is, maar dat het nooit een doel op zichzelf mag worden, laat staan een middel waarmee anderen macht, status of winst behalen. Misschien is het grootste talent van nu wel: de vrijheid te bewaren om te kiezen wat we met onze gaven doen en onszelf niet te laten gijzelen door een wereld die vooral vraagt om méér, sneller, beter.